Onderwijs

4.1 Aanbod en inrichting opleidingen

De TU/e verzorgt in 2019-2020 12 bacheloropleidingen en 23 masteropleidingen.

Bacheloropleidingen

De bacheloropleidingen hebben een cursusduur van drie jaar (180 sp). Ze bestaan uit een propedeutische fase van één jaar (60 sp) en een postpropedeutische fase van twee jaar (120 sp) die wordt afgerond met het afsluitend examen (bachelor examen).

De bacheloropleiding nieuwe stijl volgens het Bachelor College kent verschillende componenten die hieronder kort worden toegelicht: majoronderwijseenheden, basisonderwijseenheden, keuzeonderwijseenheden en coherente keuzepakketten, en USE- leerlijnen (User, Society en Enterprise). Alle vakken die door de TU/e worden verzorgd zijn opgenomen in de elektronische onderwijscatalogus, die via internet te bereiken is onderhttp://mytue.tue.nl(OSIRIS course catalogue).

De majoronderwijseenheden omvatten het disciplinespecifieke deel van de opleiding en hebben samen een omvang van 90 sp.

Vijf basisonderwijseenheden (samen 25 sp) zijn voor alle studenten verplicht: Applied Physical Sciences, Calculus, Data Analytics for Engineers, Engineering Design en USE-basic: Ethics and history of technology..

Professionele Vaardigheden is geen afzonderlijke onderwijseenheid, maar is verweven in het majoronderwijs. In de OER wordt vermeld om welke vaardigheden het gaat, en hoe ze worden beoordeeld en afgerond. De basisonderwijseenheden bereiden studenten voor op zowel hun eigen major als op onderwijseenheden in de keuzeruimte.

De keuzeruimte beslaat 45 sp. Voor het invullen van de keuzeruimte kunnen studenten kiezen uit het totale aanbod van losse keuzeonderwijseenheden van 5 sp en coherente keuzepakketten (van veelal 15 sp). In de OER is vastgelegd aan welke voorwaarden de invulling van de keuzeruimte moet voldoen.

Naast de basisonderwijseenheid USE moeten studenten een USE-leerlijn volgen: drie onderwijseenheden en vijf als USE geoormerkte Studium Generale activiteiten. Een USE- leerlijn bestaat uit onderwijseenheden waarbij de discipline uit de major geplaatst wordt in het perspectief van de gebruiker (user), de maatschappij (society) en/of de onderneming (enterprise). Voor de invulling van de USE-leerlijn kunnen studenten kiezen uit alle USE- pakketten die worden aangeboden.

Nadere informatie over de bacheloropleidingen nieuwe stijl volgens het Bachelor College

Wet- en regelgeving:

  • OER’en

Beleid:

  • de thans geldende Richtlijn Bachelor College

Inlichtingen bij:

  • ESA

 Masteropleidingen

Een masteropleiding omvat twee jaar (120 sp) en bestaat uit maximaal 30 studiepunten aan verplichte onderwijseenheden én een aantal specialistische keuzeonderwijseenheden én minimaal

15 studiepunten aan vrije keuzeonderwijseenheden op master niveau, waarbinnen mogelijk een stage, als die niet reeds opgenomen is onder de verplichte onderwijseenheden of de specialistische onderwijseenheden én een afstudeerproject van 30 of 45 studiepunten. Een afstudeerproject kan 60 studiepunten bedragen, ter bepaling aan het faculteitsbestuur op advies van de Graduate Program Director, maar alleen wanneer de omvang van de verplichte onderwijseenheden niet meer dan 15 studiepunten omvat. De opleiding moet zodanig zijn ingericht dat het mogelijk is om 15 studiepunten aan internationale ervaring op te doen. Dit deel van de masteropleiding is niet verplicht, maar wordt ten zeerste gestimuleerd, tenzij de student al een internationale ervaring heeft opgedaan tijdens zijn/haar bachelor of in het buitenland zijn/haar vooropleiding heeft gevolgd. 

Wanneer een student niet voor een onderdeel internationale ervaring heeft gekozen, volgt een gesprek tussen mentor en student over de vraag waarom deze keuze is gemaakt.

Voor de invulling van de specialistische keuzeonderwijseenheden dient de examencommissie, na advies van de mentor, een besluit te nemen. Voor het kiezen van de vrije keuzeonderwijseenheden hoeft de student geen advies te vragen aan zijn mentor of afstudeerbegeleider. Voor de invulling van de vrije keuzeonderwijseenheden geldt verder dat de homologatie-onderwijseenheden (te volgen onderwijseenheden om deficiënties weg te werken) in mindering kunnen worden gebracht op de vrije keuzeruimte, maar mogen niet meer dan 15 studiepunten van het totale masterprogramma bedragen. Ook is binnen de Graduate School de mogelijkheid geschapen om 15 studiepunten te besteden aan bachelor onderwijseenheden op niveau 3, inclusief mogelijke homologatievakken.

Uit de OER van de opleiding blijkt welke keuzes door het faculteitsbestuur zijn gemaakt en op welke wijze de opleiding is ingericht binnen de kaders van de Graduate School.

Informatie over studieopbouw en afstudeerrichtingen is onder andere te vinden in de digitale studiegids (https://www.studiegids.tue.nl) en op de website van de TU/e.

Instroom in de masteropleiding Business Information Systems is beëindigd per 1 september 2018.

Nadere informatie over de masteropleidingen

Wet- en regelgeving:

  • OER’en

Beleid:

  • de thans geldende Richtlijn Graduate School

Inlichtingen bij:

  • ESA

4.2 Recht op een studeerbaar programma

De OER wordt regelmatig beoordeeld, waarbij met name het uit de studielast voortvloeiende tijdsbeslag wordt gewogen. Dit is de verantwoordelijkheid van het faculteitsbestuur. De tekst van de OER van een opleiding is opgenomen in de (desbetreffende) digitale studiegids die te raadplegen is op internet (studiegids.tue.nl).

Het CvB draagt er zorg voor dat tijdig voor de aanvang van het studiejaar openbaar worden gemaakt:

  • het onderwijsaanbod;
  • ten aanzien van welke opleidingen een verwijzing naar afstudeerrichtingen kan plaatsvinden en de regels die ter zake gelden. De vorm van openbaarmaking dient zodanig te zijn dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen over de inhoud en inrichting van het onderwijs en van de examens.

Een opleiding dient zodanig te worden ingericht dat de student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang van de WSF 2000.

4.3 Studielast en studiepunten

Elke opleiding bestaat uit bepaalde onderwijseenheden. Afhankelijk van het aantal onderwijseenheden en de zwaarte daarvan kent een opleiding een bepaalde studielast. De studielast van de opleidingen en de daartoe behorende onderwijseenheden wordt door het faculteitsbestuur uitgedrukt in studiepunten. In de OER is de studielast van de opleiding als geheel en van de afzonderlijke onderwijseenheden opgenomen.

In het bovenstaande en ook elders in dit Statuut wordt het begrip studiepunten (sp) gebruikt volgens het European Credit Transfer System. Dit is een studiepuntensysteem dat in de Europese Unie wordt gebruikt en dat bij de invoering van de bachelor-masterstructuur in de wet is opgenomen. De berekening volgens het sp-systeem is als volgt: de studielast van een studiejaar bedraagt 60 sp, waarbij één studiepunt staat voor 28 uur studie. 60 sp is dus gelijk aan 1680 uren studie.

4.4 Studiebegeleiding

​​​Studenten hebben recht op studiebegeleiding. Bij de studiebegeleiding moet bijzondere zorg besteed worden aan studenten die behoren tot een bepaalde etnische of culturele minderheid.

Elke faculteit kent voor de begeleiding van studenten één of meer studieadviseurs. De studiebegeleiding moet in de OER geregeld worden.

Studenten die een bacheloropleiding volgen, hebben naast begeleiding door een studieadviseur van de eigen major, ook recht op coaching door een docentcoach en – in het eerste semester na inschrijving - tevens recht op begeleiding door een studentmentor (ouderejaars student van de eigen opleiding). In de OER is vastgelegd waar deze coaching en verschillende vormen van begeleiding zich op richten. 

Studenten die een masteropleiding volgen, hebben naast begeleiding van een studieadviseur, ook recht op een mentor. In de OER is vastgelegd waar de verschillende vormen van begeleiding zich op richten. 

Studenten die een bacheloropleiding, dan wel masteropleiding, volgen hebben tevens recht op, vanuit ESA aangeboden, ondersteuning van een studiekeuzeadviseur, studentenpsycholoog en studentendecaan.

De taken van een studieadviseur, docentcoach, studentmentor, mentor, studiekeuzeadviseur, studentenpsycholoog, studiekeuzeadviseur en studentendecaan zijn opgenomen in onderstaand overzicht.

Taken studieadviseur (eigen) major/graduate program

De studieadviseur

  • adviseert de student gevraagd of ongevraagd over alle aspecten van zijn opleiding,
  • voert (individuele) gesprekken met studenten over studievoortgang, studieplanning, studievoortgangsbesluit (schakelstudenten) en BSA (bachelorstudenten);
  • houdt het overzicht op de coaching en begeleiding van studenten en is van hieruit aanspreekpunt voor alle betrokken partijen (student, docentcoach (bachelor), student- mentor (bachelor), mentor/afstudeerbegeleider (graduate program) en studentenadviseur);
  • geeft, afhankelijk van zijn of haar inhoudelijke deskundigheid, informatie over studie- opbouw, volgorde en samenhang van onderwijseenheden, mogelijkheden binnen de keuzeruimte, mogelijkheden na de bachelor, mogelijkheden tot overstappen naar andere majoren binnen de TU/e of andere bacheloropleidingen buiten de TU/e, mogelijkheden binnen de

specialisatieruimte van de graduate programs, mogelijkheden om in het buitenland te studeren;

  • bespreekt op initiatief van de student eventuele problemen met de coaching / docentcoach (bachelor) of mentor/afstudeerbegeleider (graduate program) en onderneemt actie waar dat nodig is;
  • adviseert de student en docentcoach (bachelor) of mentor/afstudeerbegeleider (graduate program) over doorverwijzing naar een

studiekeuzeadviseur/studentenpsycholoog/studiekeuzeadviseur/studentendecaan (ESA) als er bijzondere omstandigheden zijn of als zich problemen voordoen met betrekking tot studie- en studeervaardigheden, gestagneerd keuzeproces of persoonlijke problemen die het studeren beïnvloeden.

Taken docentcoach binnen de bacheloropleiding

Iedere student heeft recht op vier gesprekken met zijn docentcoach gespreid over het studiejaar. De docentcoach, niet zijnde een opleidingsdirecteur of studieadviseur, ondersteunt en begeleidt de student bij:

  • de ontwikkeling van een eigen professionele identiteit als toekomstig ingenieur;
  • het keuzeproces dat hier voor nodig is. Het gaat om keuzes zoals het invullen van de keuzeruimte inclusief een USE-pakket, het al dan niet deelnemen aan een honors programma en het kiezen van een masteropleiding;
  • het sturen en vormgeven van het eigen keuzeproces, dus leren hoe studiegerelateerde keuzes te maken in het licht van te realiseren ambities.

De docentcoach verwijst de student naar de studieadviseur (eigen major) bij problemen die de studievoortgang belemmeren. Met toestemming van de Dean Bachelor College kan het faculteitsbestuur besluiten om de rol van de docentcoach anders in te richten.

 Taken studentmentor binnen de bacheloropleiding

De studentmentor, die wordt aangewezen door de faculteit en opgeleid door de studiemanagementadviseurs bij ESA, begeleidt de student in groepjes en individueel op:

  • Sociale en academische binding met de opleiding, de faculteit en de universiteit,
  • Contact met medestudenten, de studie en het studeren,
  • Samenwerkend leren en ontwikkelen van studievaardigheden in overleg met de studentenadviseurs van ESA. De studentmentor verschaft informatie en beantwoordt vragen over major, faculteit en universiteit, maar ook over bij wie studenten terecht kunnen als ze bepaalde vragen of problemen hebben.

Taken mentor (graduate program)

De mentor

  • is universitair docent, een universitair hoofddocent of een hoogleraar. In veel gevallen is de mentor de afstudeerbegeleider, maar dit is geen verplichting.
  • begeleidt de student op initiatief van de student.
  • dient te adviseren over de door de student gekozen specialisatievakken als onderdeel van zijn opleiding.
  • begeleidt de student gedurende de masteropleiding op het gebied van
    • het door de student geambieerde carrièrepad en de keuzes die daarmee samenhangen binnen (en eventueel buiten) de opleiding,
    • de samenstelling van de opleiding (specialisatievakken, vrije keuzevakken, invulling van de stage, onderwerp van het afstuderen),
    • en de ontwikkeling van professional skills door de student, waarbij de mentor het ontwikkelplan van de professionele skills betrekt dat de student heeft opgesteld bij aanvang van de masteropleiding.
  • bespreekt met de student de gedragscode wetenschappelijke integriteit en in diens bijzijn tekent de student een verklaring dat hij zich aan de regels inzake wetenschappelijke integriteit zal houden.

 Taken studentenpsycholoog ESA

De studentenpsycholoog ondersteunt een student die vastloopt op één of meerdere levensgebieden waardoor het studeren niet meer voorspoedig verloopt. Voorbeelden van onderwerpen die met de studentenpsycholoog kunnen worden besproken zijn;

  • angst- en somberheidsklachten
  • problemen gerelateerd aan autisme of ADHD
  • negatief denken
  • laag zelfvertrouwen
  • faalangst
  • persoonlijke omstandigheden (overlijden naaste, relatieproblemen). 

Taken studiekeuzeadviseur ESA

De studiekeuzeadviseur helpt bij vragen over het studiekeuzeproces. Vragen kunnen verband houden met twijfel over studiekeuze, maar ook over welke studies bij de interesses of mogelijkheden van de student passen.

Taken studentendecaan ESA

De studentendecaan adviseert de student bij:

  • persoonlijke omstandigheden die een vertragende invloed kunnen hebben op de studie (o.a. functiebeperkingen zoals dyslexie, autisme, chronische ziekte e.d.),
  • administratieve zaken, zoals toelating, in- of uitschrijven, studiefinanciering, bestuursbeurzen en topsport.

Verder adviseert de studentendecaan de examencommissies op het gebied van studeren met een functiebeperking en, via de Centrale Commissie Persoonlijke Omstandigheden, uitstel bindend studieadvies.

4.5 Studeren met een functiebeperking

Studenten met een functiebeperking of chronische ziekte (in het vervolg samengevat onder de noemer “functiebeperking”) ondervinden door deze omstandigheid vaak vertraging in hun studie. Door de gevolgen van hun functiebeperking kan het zijn dat zij minder tijd en energie aan hun opleiding kunnen besteden dan de gemiddelde student of meer tijd en energie aan hun opleiding moeten besteden dan de gemiddelde student. De TU/e dient voorzieningen te treffen die het mogelijk maken dat studenten met een functiebeperking redelijkerwijs aan het onderwijs en de tentamens kunnen deelnemen.

Het is mogelijk om een verzoek voor voorzieningen in te dienen, zo mogelijk drie maanden voordat de student zal deelnemen aan het onderwijs, tentamens of praktische oefeningen. Indien een student gebruik wil maken van voorzieningen, dan gebeurt dit doorgaans via de studentendecaan. De studentendecaan dient namens de student een verzoek voor een speciale voorziening in bij de examencommissie. Dit verzoek dient vergezeld te gaan van de bescheiden die redelijkerwijze nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek. Daaronder wordt in ieder geval begrepen een recente verklaring van een medicus of een psycholoog of van een BIG-, NIP-, of NVO-geregistreerd testbureau. 

Nadere informatie over aanbod en inrichting opleidingen, studielast, studiebegeleiding, studeren met een functiebeperking e.d.

Wet- en regelgeving: 

  • art. 7.3, 7.3a, 7.4, 7.4a, 7.7, 7.8, 7.13, 7.15, 7.34 WHW; 
  • OER’en

Beleid:

Publicaties:

  • studiegids.tue.nl

Inlichtingen bij: 

  • ESA, tel. (040)(247) 47 47
  • Studieadviseurs van de faculteiten

4.6 Studievoortgang en studiefinanciering

Kijk voor meer informatie op www.duo.nl en www.startstuderen.nl

Nadere informatie over studievoortgang en studiefinanciering

Wet- en regelgeving:

  • art. 7.4, 7.9a,  7.9c, 7.9d WHW; 
  • studievoorschot

Publicaties: 

  • diverse brochures van DUO
  • informatiekrant van DUO, wordt rechtstreeks aan studenten toegezonden.

Inlichtingen bij:

  • ESA, tel. (040) (247) 47 47 l
  • Studieadviseurs van de faculteiten
  • DUO, tel. (050) 599 77 55

4.7 Bindend studieadvies aan het eind van het eerste studiejaar

Zoals hiervoor al aangegeven, geldt binnen de bacheloropleidingen van de TU/e een bindend studieadvies (bsa).

Na het eerste semester van de propedeuse fase ontvangt de student een voorlopig positief of een voorlopig negatief advies, het zogenaamde preadvies. Wanneer de student een voorlopig negatief studieadvies heeft ontvangen, is hem een redelijke termijn gegund om alsnog tijdig aan de bsa norm te voldoen.

Wanneer de student aan het einde van het eerste jaar minder dan 45 sp heeft behaald, krijgt hij een negatief bindend studieadvies. Wanneer de student 45 sp of meer heeft behaald, krijgt hij een positief studieadvies. De examencommissie stelt een aangepaste bsa-norm van 40 studiepunten vast wanneer een student aan het einde van het studiejaar 40 sp heeft behaald, maar een onderwijseenheid, waarop in het lopende academisch jaar geen herkansing meer mogelijk is met een onvoldoende heeft afgerond, terwijl de betreffende eindtoets met een voldoende (6.0 of hoger) is beoordeeld. Verder stelt de examencommissie de norm vast wanneer:

  1. aan een student vrijstellingen zijn verleend binnen de propedeutische fase en hij/zij met de opleiding start per 1 september, of
  2. aan een student aan wie al dan niet vrijstellingen zijn verleend binnen de propedeutische fase

en hij/zij na 1 september doch voor 1 februari (derde kwartiel) met de opleiding start, of

  1. een student na het eerste kwartiel, doch voor het vierde kwartiel is overgestapt naar aan andere opleiding, of
  2. de student voldoet aan de kwalificaties van ‘topsporter’, zoals bedoeld in de thans geldende Regeling Profileringsfonds van de TU/e, of
  3. een student een uitgesteld bindend studieadvies heeft ontvangen.

Studiepunten die zijn verkregen via vrijstellingen tellen niet mee bij de bepaling of deze norm voor het bindend studieadvies is behaald.

In de model OER wordt de mogelijkheid geboden nadere voorwaarden te stellen aan de norm van 45 studiepunten (het zogenaamde bsa-mandje).Een opleiding kan, mits de Dean van de Bachelor College daar toestemming voor heeft verleend, hiervan gebruik maken. Uit de OER van de opleiding volgt of een opleiding hiervan gebruik heeft gemaakt. 

De propedeutische fase heeft drie wettelijke functies: oriëntatie, selectie en verwijzing. Het eerste studiejaar dient onder meer een antwoord op te leveren op de vraag of opleiding en student bij elkaar passen en of de student onder normale omstandigheden naar verwachting binnen een redelijke termijn de opleiding kan afronden.

Het totale studiebegeleidingssysteem vervult een belangrijke rol bij deze functies. De aan de student uitgebrachte adviezen komen gefaseerd en op een zorgvuldige wijze tot stand.

Daarbij worden categorieën gehanteerd die een onderscheid maken tussen enerzijds studenten die volgens de door de opleiding gestelde objectieve studievoortgangsnormen met geen of weinig vertraging de opleiding kunnen voltooien, en anderzijds studenten die dit naar verwachting niet zullen gaan doen.

Het bsa heeft een dwingend karakter, en dat geldt zowel voor de student als voor de instelling. Voor de student, omdat hij gedwongen wordt een zodanige studievoortgang in het eerste jaar van de bacheloropleiding te boeken dat er een gerede kans is de opleiding binnen redelijke termijn af te ronden (op straffe van het zich niet opnieuw mogen inschrijven voor dezelfde opleiding). Voor de instelling, omdat die de plicht heeft goede voorwaarden te creëren voor het boeken van voldoende studievoortgang en om de studenten optimaal te begeleiden met het oog op het voldoen aan de studievoortgangsnormen (op straffe van het verliezen van beroepszaken en het oplopen van reputatieschade).

Nadere informatie over studieadvies

Wetgeving:                      

  • art. 7.8b WHW
  • OER van de bacheloropleiding

Inlichtingen bij:                 

  • studieadviseurs van de faculteiten
  • ESA

4.8 Harde knip

Een student dient eerst zijn bachelordiploma te hebben behaald alvorens hij kan beginnen met zijn masteropleiding: dit wordt de harde knip genoemd.

De harde knip geldt voor alle studenten: zowel voor eigen studenten die na de bacheloropleiding een masteropleiding gaan volgen, als voor zij-instromers. De harde knip geldt ook voor schakelstudenten: deze groep moet eerst het schakelprogramma afronden voordat ze een inschrijving in de masteropleiding kunnen openen. De wijze van inschrijving (voltijd-, deeltijd-, hoofd, of neveninschrijving) is niet van belang: alle studenten hebben met de harde knip te maken ongeacht hun type inschrijving.

Instroommomenten masteropleidingen

Alle masteropleidingen van de TU/e hebben minimaal 2 instroommomenten: in september en in februari (begin kwartiel 1 en 3).

Het faculteitsbestuur is ervoor verantwoordelijk dat de masteropleiding bij voldoende inspanning in twee jaar na inschrijving afgerond kan worden.

Studenten die op de TU/e hun bacheloropleiding hebben afgerond, kunnen met ingang van de maand volgend op de maand waarin zij het bachelorexamen hebben afgerond, ingeschreven worden bij de masteropleiding. Zij hoeven dus niet te wachten tot het volgende formele startmoment. Echter, wanneer deze studenten beginnen met de masteropleiding op een ander moment dan de formele instroommomenten, wordt niet gegarandeerd dat de faculteit een studieprogramma kan aanbieden waarmee de masteropleiding in twee jaar na aanvang kan worden afgerond. Een verzoek tot inschrijving in de masteropleiding wordt gehonoreerd op grond van de thans geldende Regeling aanmelding, studiekeuzecheck, inschrijving en beëindiging inschrijving TU/e.

Scheiding bachelor- en masteronderwijseenheden

Bij aanvang van de studie worden alle studenten voorzien van een examenprogramma met daarin de onderwijseenheden waaruit hun opleiding bestaat. Bachelorstudenten voegen zelf via (onder andere) de Planapp keuzevakken toe. De hierbij geldende voorwaarden zijn opgenomen in de OER. Voor wat betreft de invulling van de keuzeruimte geldt dat bachelorstudenten een selectie maken uit de voor het Bachelor College geoormerkte vakken in de onderwijscatalogus. Op die manier is een feitelijke scheiding gerealiseerd tussen de bachelor- en masteropleidingen.

Bachelor- en masterstudenten dienen zich aan te melden voor het volgen van onderwijs van de onderwijseenheden (dus ook voor praktische oefeningen, onderwijseenheden die op een andere wijze dan schriftelijk worden afgenomen). Dit is nodig in verband met de organisatie en administratie, anderzijds is het gewenst voor controle en handhaving. Wanneer de student zich niet op tijd heeft aangemeld voor een of meerdere onderwijseenhe(i)d(en) van eenzelfde kwartiel en het kwartiel is nog niet begonnen, dan kan hij, zo volgt uit de OER, binnen de daartoe gestelde termijn en onder betaling van € 20 euro per onderwijseenheid, alsnog aangemeld worden voor (een) onderwijseenhe(i)d(en). 

Zonder aanmelding voor de onderwijseenheid is het voor de bachelorstudent in beginsel niet mogelijk deel te nemen aan het tentamen (tussen- en eindtoets). Voor masterstudenten geldt deze aanmeldingsplicht niet: masterstudenten kunnen zich aanmelden voor tentamens zonder aangemeld te zijn voor de onderwijseenheid. Voor masterstudenten geldt eveneens een betaling van € 20 indien zij zich te laat aanmelden voor een tentamen.

De wet schrijft voor dat een student alleen onderwijseenheden mag volgen en daarin tentamen mag afleggen die tot zijn opleiding behoren. Uiteraard kan een student onderwijseenheden buiten de opleiding om volgen en daarin tentamens afleggen, maar deze worden slechts als curriculair toegevoegd aan het examenprogramma als de examencommissie daarvoor toestemming heeft verleend.

 Schakelprogramma’s 

Ook voor studenten die een schakelprogramma volgen geldt de harde knip.

De hoofdregel is dat 100% van het schakelprogramma binnen de daarvoor gestelde termijn (maximaal twee semesters) dient te zijn afgerond. Is dit niet het geval dan kan de student zijn schakelprogramma niet voorzetten. Van deze hoofdregel kan door de examencommissie in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. Een en ander is vastgelegd in de OER van de Masteropleiding.

Extra tentamenmogelijkheden in verband met de harde knip (hardheidsclausule) Er is voorzien in een hardheidsclausule voor schrijnende gevallen die door bijzondere omstandigheden onevenredig worden getroffen door de harde knip. De hardheidsclausule wordt decentraal uitgevoerd door de Examencommissies op basis van centraal vastgelegde richtlijnen. De hardheidsclausule is opgenomen in de OER van de bacheloropleiding. De examencommissies van de faculteiten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de hardheidsclausule. De hardheidsclausule is opgesteld aan de hand van de volgende uitgangspunten:

  • studenten met schrijnende persoonlijke omstandigheden of studenten die (bijna) nominaal studeren (3-3,5 jaar) én maximaal 10 studiepunten missen;
  • bij (bijna) nominaal studerenden kan de Examencommissie rekening houden met bestuurlijke activiteiten binnen de studieverenigingen (of andere omvangrijke bestuurlijke

activiteiten, dit naar het oordeel van de examencommissie);

In deze gevallen kunnen de studenten bij de examencommissie een extra herkansing aanvragen voor de ontbrekende bacheloronderwijseenheden.

De procedure rondom de schrijnende persoonlijke omstandigheden is dezelfde als die bij het bindend studieadvies. Studenten die onder de hardheidsclausule vallen maar bij wie nog niet alle tentamencijfers van de bacheloronderwijseenheden bekend zijn bij aanvang van de masteropleiding in het eerste of tweede semester, mogen met toestemming van de examencommissie masteronderwijseenheden volgen waarvoor voldoende voorkennis aanwezig is. Echter, zij krijgen geen masterinschrijving. Deze studenten mogen binnen een masteropleiding niet starten met projecten. Wanneer de student zijn bachelordiploma namelijk niet heeft behaald, mag hij de masteronderwijseenheid die hij volgde, niet meer voortzetten.

Nadere informatie over harde knip

Inlichtingen bij:                  

  • OER van de bacheloropleiding
  • studieadviseurs van de faculteiten

studiegids.tue.nl/organisatie/regelingen-en-gedragscodes/harde-knip/

4.9 Onderwijs in een andere taal dan het Nederlands

De wet gaat ervan uit dat het onderwijs in het Nederlands wordt gegeven. In afwijking hiervan kan een andere taal worden gehanteerd:

  • wanneer het een opleiding in die taal betreft;
  • bij een gastcollege door een anderstalige docent;
  • als de specifieke aard, inrichting of kwaliteit van het onderwijs, dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

Het CvB heeft daarvoor een Gedragscode Taal TU/e 2016 vastgesteld, die het mogelijk maakt dat als instructietaal bij het geven van onderwijs en het afnemen van examens in plaats van het Nederlands uitsluitend Engels kan worden gebruikt. Op grond van die gedragscode kan het faculteitsbestuur besluiten dat het onderwijs wordt verzorgd en de tentamens en examens worden afgenomen in het Engels indien:

  • de internationalisering van de opleiding hiertoe noodzaakt, of
  • de kwaliteit van het onderwijs en de specifieke expertise op het vakgebied er toe noodzaken niet-Nederlandstalige docenten aan te trekken, of
  • het onderwijs mede is gericht op niet-Nederlandstalige studenten.

Het desbetreffende besluit van het faculteitsbestuur moet vermelden welk deel van het onderwijs in het Engels wordt verzorgd, moet worden opgenomen in de OER en tijdig kenbaar worden gemaakt.

Voor studenten in de bacheloropleiding wordt het onderwijs – met uitzondering van Biomedische Technologie en Medische Wetenschappen en Technologie - in de majoren in het Engels verzorgd. Studenten worden geacht de onderwijseenheden te volgen, zoals die binnen hun opleiding worden aangeboden. Met andere woorden, studenten die een Engelstalige opleiding volgen, worden geacht ook het Engelstalige onderwijs te volgen. 

De masteropleidingen van de TU/e worden verzorgd in het Engels, met uitzondering van Science Education and Communication. Bij de masteropleiding Medical Engineering zijn de stage en de klinische modules in het Academisch Ziekenhuis Maastricht in het Nederlands.

Engelse Taalvaardigheid studenten

Bij opleidingen die in het Engels worden verzorgd of opleidingen die gedeeltelijk in het Engels worden verzorgd, wordt bij de aanvang van de opleiding bij de studenten een zodanige taalvaardigheid verondersteld, dat de opleiding met vrucht kan worden gevolgd. Het niveau is gelijk aan de VWO-eindexameneis.

De toelatingseisen voor studenten met een buitenlandse (voor)opleiding inzake het niveau van de Engelse taal worden bekend gemaakt in de OER van de opleiding. Ditzelfde geldt voor de vrijstellingsmogelijkheden voor deze toelatingseisen. De toelatingseisen zijn als volgt:

  • IELTS, academische versie: een minimum score van 6.0 voor elk onderdeel en een totaalscore van minimaal 6,5. - TOEFL, internet gebaseerde tekst: een minimum score van 21 voor elk onderdeel en een totaalscore van minimaal 90.
  • University of Cambridge-certificaat, C2 proficiency (voorheen aangeduid als Certificate of Proficiency in English CPE), met een totaalscore van 180 en een minimum score van 169 voor elk onderdeel, of de C1 Advanced Certificate (voorheen aangeduid als Certificate in Advanced English CAE) met een totaalscore van 176 en een minimum score van 169 voor elk onderdeel.

Nederlandse taalvaardigheid

Voor internationale studenten worden cursussen Nederlands als Tweede Taal aangeboden op zes niveaus (van beginner tot en met gevorderd: 0 – B2/ C1 CEFR). Deze cursussen worden elk kwartiel via het open aanbod aangeboden. Internationale studenten kunnen zich hiervoor via Osiris inschrijven. De cursussen zijn gratis voor studenten. Voor de vervolgcursussen of persoonlijke trajecten moet worden betaald.

Nadere informatie over onderwijs in het Nederlands

Wet- en regelgeving: 

  • art. 7.2 WHW;
  • Gedragscode Taal TU/e 2016
  • Besluit van het College van Bestuur in verband met aanpassing toelatingseisen inzake de Engelse taal, d.d. 25 augustus 2016

Inlichtingen bij:

  • Toelatingseisen: (040) (247) 4747
  • TU/e Language Center, (040) (247) 5011

studieadviseurs van de faculteiten

4.10 Studeren in het buitenland in het kader van studie aan TU/e

De TU/e heeft als ambitie geformuleerd dat het merendeel van de masterstudenten bij afstuderen ten minste 15 studiepunten aan buitenland ervaring zou moeten hebben behaald. Een verblijf in het buitenland tijdens de opleiding betekent voor de student het opdoen van kennis en ervaring die binnen de TU/e niet kan worden opgedaan en zorgt voor een verrijking en verbreding van de academische opleiding aan de eigen instelling.

Dat kan door het volgen van stages in het buitenland of door het met goedkeuring van de examencommissie volgen van keuzevakken aan een buitenlandse instelling van hoger onderwijs. In verband hiermee zijn diverse samenwerkingsverbanden met buitenlandse instellingen aangegaan.

TU/e studenten die in het kader van hun opleiding naar het buitenland gaan, kunnen in veel gevallen aanspraak maken op fondsen ter ondersteuning van de additionele kosten die zij maken tijdens hun studie/stage in het buitenland. 

Studiefinanciering en opleiding in het buitenland

Als een student in het buitenland studeert, loopt zijn studiefinanciering gewoon door, mits hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Dit geldt ook als hij tijdelijk in het buitenland gaat studeren of stage gaat lopen. Bij een tijdelijke studie of stage in het buitenland, kan de student de studiefinanciering behouden als hij als voltijdstudent ingeschreven blijft staan aan een Nederlandse opleiding én zijn studie of stage in het buitenland onderdeel is van zijn Nederlandse opleiding.

Behalve een tijdelijke studie of stage, kan hij ook een volledige opleiding in het buitenland volgen met studiefinanciering. Het aanvraagformulier en de brochure voor studiefinanciering in het buitenland voor hoger onderwijs zijn aan te vragen bij de DUO. Dit aanvraagformulier dient ook gebruikt te worden als de student al studiefinanciering in het buitenland ontvangt en een wijziging door wil geven. Voor de bepaling van het recht op studiefinanciering is de duur van de vergelijkbare Nederlandse opleiding van belang. Voor meer informatie: zie DUO.

Ook voor een opleiding in het buitenland is het mogelijk collegegeldkrediet aan te vragen.

Nadere informatie over studeren in het buitenland

Inlichtingen bij:

4.11 Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs

Op 1 mei 2006 is de Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs in werking getreden. Deze is herzien op 4 december 2009, 1 maart 2013, 1 augustus 2014 en 1 september 2017. Buitenlandse studenten die zich aanmelden voor een studie bij een onderwijsinstelling die de code heeft ondertekend, komen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in aanmerking voor een versnelde procedure voor het aanvragen van een verblijfsvergunning. De TU/e heeft deze code ondertekend. Dat betekent dat de TU/e garandeert dat zij buitenlandse studenten goed zal begeleiden. In de code zijn afspraken gemaakt over het minimale niveau van Engelse taalbeheersing waarover buitenlandse studenten moeten beschikken voordat zij in Nederland mogen komen studeren. De gedragscode bevat voorts richtlijnen voor de werving van studenten in het buitenland. Ondertekening van de gedragscode betekent ook dat de TU/e gebruik kan maken van de officiële Nederlandse steunpunten hoger onderwijs in het buitenland (NESO’s), maar ook het Loket Studie Verkort. Bij dit loket kunnen voor non-EER studenten visa en/of verblijfsvergunningen worden aangevraagd. 

Wet- en Regelgeving:               

  • Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs van 28 februari 2006 (herziene versie 1 september 2017).

Inlichtingen:                             

4.12 Kwaliteitszorg onderwijs

Het realiseren van een hoge onderwijskwaliteit, gemeten naar externe en (inter)nationale maatstaven ziet de TU/e als een noodzakelijke randvoorwaarde van al haar activiteiten. Het ultieme doel van kwaliteitszorg is het verbeteren van het onderwijs (interne kwaliteitszorg). Maar ook het afleggen van verantwoording over de onderwijskwaliteit aan studenten, docenten, management en de overheid ten behoeve van accreditatie, vormt een belangrijk aandachtspunt in het kwaliteitszorgbeleid op de TU/e (externe kwaliteitszorg).

De onderwijs-verbetercyclus

Alle kwaliteitszorgactiviteiten binnen het onderwijs op de TU/e zijn er op gericht om een verbetercyclus tot stand te brengen. Dit houdt in: het meten en monitoren van de onderwijskwaliteit (bv. aan de hand van onderwijsevaluaties), het analyseren en interpreteren van de resultaten (bv. in de vorm van management- en benchmarkrapportages), het opstellen van verbeterplannen, het doorvoeren van deze verbeterplannen en het reflecteren op het verbeterproces (bv. in de onderwijsjaarverslagen van de opleidingen). De essentie van kwaliteitszorg is het zichtbaar sluiten van deze verbetercyclus. Dat wil zeggen dat de verbetertrajecten en -projecten aantoonbaar hebben geleid tot verbeteringen in het onderwijs, en dat deze uitkomsten worden gecommuniceerd binnen de opleiding, o.a. naar studenten. 

Deze verbetercyclus vindt plaats op verschillende niveaus binnen de organisatie. Op het niveau van een individueel vak is de docent verantwoordelijk voor de kwaliteit en het verbeterproces en legt verantwoording af aan de opleidingsdirecteur. De kwaliteitszorg op individuele vakken vindt op twee tijdschalen plaats: snelle bijsturing tijdens de onderwijsperiode waarin het vak loopt (proces monitoring a.d.h.v. bijvoorbeeld collegevolggroepen) en een cyclus over het vak als geheel (aan de hand van o.a. vakenquêtes). Er wordt hierbij gekeken naar aspecten als studenttevredenheid, opzet en organisatie, docentkwaliteit en toetsing.

De verantwoordelijkheid voor het realiseren van de verbeteringen op opleidingsniveau ligt bij de opleidingsdirecteur, en hij/zij legt hierover verantwoording af via het onderwijsjaarverslag aan de Dean BC of GS. In de evaluaties op opleidingsniveau komen zaken aan de orde als studeerbaarheid, samenhang, studielast, organisatorische zaken, coaching en voorbereiding op de arbeidsmarkt (o.a. via de jaarlijkse TU/e curriculumenquêtes, de NSE en de alumnimonitor). De opleidingscommissie (OC) speelt een belangrijke rol in het monitoren van het gehele proces. In iedere OC nemen ook studenten zitting. De OC ziet toe op de evaluatieresultaten, de vastgestelde verbeterplannen en het resultaat van de verbeteringen. Daarnaast kan de OC gevraagd en ongevraagd advies geven en onderzoek doen naar aspecten van onderwijskwaliteit. De kwaliteitszorg van opleidingen wordt uitgevoerd conform het kwaliteitszorgplan van de faculteit. De OC heeft hier via de OER instemmingsrecht op en ziet toe op de uitvoering. 

Omdat een deel van elke bacheloropleiding faculteitsoverstijgend onderwijs (basisvakken, USEleerlijnen, bovenfacultaire coherente keuzepakketten) betreft, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het realiseren van onderwijsverbeteringen met betrekking tot deze onderdelen van het curriculum bij de Dean BC. Naast de algemene onderwijsevaluaties vormt de BC monitorgroep (bestaande uit studenten die twee maal per kwartiel samenkomen) een belangrijke informatiebron voor de Dean. Het jaarverslag van het BC wordt met de UR besproken. De Gemeenschappelijke Opleidingscommissie (GOC) en het opleidingsdirecteuren overleg (OO en OGS) spelen een belangrijke monitorende rol.

Externe kwaliteitszorg

Uitgangspunt is dat alle opleidingen elke zes jaar door een door de NVAO goedgekeurd panel van onafhankelijke deskundigen worden beoordeeld conform het Beoordelingskader accreditatiestelsel Hoger Onderwijs Nederland 2018. De opleiding stelt hiertoe een zelfevaluatie op waarin de sterke en de zwakke punten van de opleiding worden beschreven. Onderdeel van deze zelfevaluatie is een door de studenten van de opleiding opgestelde bijdrage (het studentenhoofdstuk). De opleiding bevordert dat een onafhankelijke en representatieve bijdrage tot stand komt. De visitatie resulteert in een visitatierapport. Als de uitkomst van de beoordeling van de voorwaarden positief is – dat wil zeggen dat de opleiding volledig voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in het kader – behoudt de instelling de accreditatie bestaande opleiding.

Voor een adequate bewaking en gerichte stimulering van de onderwijskwaliteit vindt de TU/e externe evaluaties onmisbaar. In de onderwijsjaarverslagen van de opleiding wordt aangegeven op welke wijze de aanbevelingen van het visitatiepanel worden opgepakt. 

De rol van de student

Voor het aantoonbaar sluiten van de verbetercyclus is de mening en constructieve feedback van studenten via onderwijsevaluaties van cruciaal belang. Een hoge deelname aan onderwijsevaluaties en de inzet van studenten in monitorgroepen en in de OC maken de resultaten betrouwbaarder en meer valide, waardoor zij eerder en beter gebruikt kunnen worden om verbeterplannen op te stellen. De TU/e vindt de mening van studenten belangrijk en neemt deze zeer serieus bij het opstellen van beleid. Daarnaast informeert zij hen over de resultaten van onderwijsevaluaties en de opgestelde verbeterplannen. 

Inlichtingen:                  

  • Interne Kwaliteitszorg Bachelor College en Graduate School: dr. G.A. van de Watering, beleidsmedewerker Onderwijs, tel. (040) (247) 2003
  • Externe Kwaliteitszorg Onderwijs: dr. D.M. de Haan, beleidsmedewerker kwaliteitszorg en toetsing, tel. (040) (247) 8307