Tentamens en Examens

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op tentamens en examens in het algemeen. Specifieke aspecten daarvan en een nadere uitwerking per opleiding zijn te vinden in de digitale studiegids, die te raadplegen is op internet; daarin is ook de tekst opgenomen van de OER van de desbetreffende opleiding.

5.1 Examencommissie en examinatoren

Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en coördinatie van de tentamens heeft het faculteitsbestuur voor elke opleiding of groep van opleidingen van haar faculteit een examencommissie ingesteld. Het faculteitsbestuur draagt ervoor zorg dat binnen de examencommissie deskundigheid op de volgende gebieden is vertegenwoordigd: inhoudelijke kennis van de opleiding, kennis van toetsing, kennis van kwaliteitsborging en juridische kennis met betrekking tot de OER, het examenreglement van de examencommissie en relevante WHW-bepalingen. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van de opleidingen behoort.

Medewerkers met management- of financiële verantwoordelijkheid mogen geen zitting hebben in een examencommissie.

De examencommissie wijst voor het afnemen van de tentamens examinatoren aan. Als zodanig kunnen ook deskundigen van buiten de instelling worden benoemd.

Om de kwaliteit van tentamens en examens te borgen, stelt de examencommissie regels vast, alsook daarmee verband houdende maatregelen. Deze regels en richtlijnen zijn opgenomen in het zogenoemde Reglement van de Examencommissie. Daarin komt ook aan de orde fraude bij tentamens met de daarbij behorende sancties. In geval van fraude kan de examencommissie bepalen dat de student gedurende ten hoogste één jaar niet mag deelnemen aan een of meer aan te wijzen tentamens of examens. Daarenboven kan bij ernstige fraude het College van Bestuur besluiten, op voorstel van de examencommissie, om de inschrijving van de betrokken student definitief te beëindigen.

De examencommissie geeft aan examinatoren richtlijnen en aanwijzingen om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen. 

5.2 Afleggen tentamens en examens

Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden. Een tentamen is een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de student of extraneus betreffende een bepaalde onderwijseenheid, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek. Tentamens kunnen op verschillende wijze worden afgelegd: mondeling, schriftelijk of op een andere wijze. Op welke wijze een bepaald tentamen moet worden afgelegd is te vinden in de OER. In de OER moet ook worden vermeld op welke wijze de student van de vragen en opdrachten in het kader van een schriftelijk tentamen en van de beoordelingsnormen kennis kan nemen. Ook de beoordelingsnormen van een praktische oefening dienen bij aanvang daarvan bekend te zijn gemaakt.

In het eerste jaar van de bacheloropleiding bestaat een tentamen uit minimaal twee tussentoetsen en een eindtoets. Voor tweede- en derdejaarsvakken geldt geen verplichting voor het afnemen van tussentoetsen. Het onderwijs dient echter wel zo ingericht te zijn dat studenten gedurende de onderwijseenheid inzicht krijgen in en feedback ontvangen over hun voortgang, tijdens de onderwijseenheid inzicht krijgen in de eisen die aan hen worden gesteld op de eindtoets (m.a.w. er is een goede voorbereiding op de eindtoets), en worden gestimuleerd een actieve bijdrage te leveren tijdens het onderwijs.

De beoordeling van een tentamen wordt uitgedrukt in een eindcijfer. In de OER wordt aangegeven welk deel van het eindcijfer voor een onderwijseenheid maximaal wordt bepaald door het cijfer voor de eindtoets. In een bijlage van de OER wordt ook voor elke onderwijseenheid aangegeven welke tussentoetsen er zijn. Tussentoetsen en eindtoetsen kunnen op verschillende wijze worden afgelegd: mondeling, schriftelijk of op een andere wijze. Op welke wijze een bepaalde eindtoets moet worden afgelegd is te vinden in de OER. In de OER moet ook worden vermeld op welke wijze de student van de vragen en opdrachten in het kader van een schriftelijke eindtoets en van de beoordelingsnormen kennis kan nemen. Ook de beoordelingsnormen van een praktische oefening dienen bij aanvang daarvan bekend te zijn gemaakt. De wijze waarop een bepaalde tussentoets moet worden afgelegd en de beoordelingsnormen zijn te vinden in de studeerwijzer van de betreffende onderwijseenheid. In de course catalogue is opgenomen hoe het cijfer van de tussentoetsen en het cijfer van de eindtoets meewegen in het eindcijfer voor de onderwijseenheid.

Voor de onderwijseenheid Professionele Vaardigheden is er geen eindtoets. Een professionele vaardigheidstoets wordt beoordeeld als tussentoets van de onderwijseenheid waarin deze vaardigheid is opgenomen. De student heeft de onderwijseenheid Professionele Vaardigheden behaald wanneer hij alle vaardigheidstoetsen (en daarmee dus alle vaardigheidslijnen) met een voldoende heeft afgerond. In de OER is vastgelegd hoeveel vaardigheidstoetsen er in totaal zijn, hoe de beoordeling van een vaardigheidstoets wordt vastgelegd, en hoe de beoordeling van een bepaalde vaardigheidstoets meeweegt in het eindcijfer voor de onderwijseenheid waar de vaardigheid deel van uit maakt.

De examencommissie bepaalt de uitslag van het examen door vast te stellen of alle tentamens die tot een bepaalde opleiding (of een bepaalde fase daarvan) behoren met succes zijn afgelegd dan wel, voor zover dat niet het geval is, in voldoende mate zijn gecompenseerd op grond van de OER van de opleiding. Is dat het geval dan is het examen van de totale opleiding of dat van een fase daarvan behaald.

In de OER moet worden vastgelegd welke examens de opleiding kent.

Bij de TU/e zijn er, zoals uiteengezet in hoofdstuk 2, bacheloropleidingen en masteropleidingen. Voor de bacheloropleidingen geldt dat zij een propedeutische fase hebben, waarvoor de student bij afronding een certificaat ontvangt van de examencommissie. De bacheloropleiding wordt afgerond met een afsluitend examen. De masteropleidingen kennen één examen, het afsluitend examen.

Nadere informatie over de inhoud van het propedeutische fase en afsluitend examen van een bacheloropleiding is te vinden in de desbetreffende digitale studiegids (studiegids.tue.nl).

Tot het afleggen van de tentamens en examens zijn alleen diegenen bevoegd die voldoen aan de toelatingseisen voor de desbetreffende opleiding en die aan de instelling staan ingeschreven als student of extraneus. Een student kan ook zelf uit onderwijseenheden een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden, het zogenaamde vrije onderwijsprogramma. Indien de examencommissie haar goedkeuring hieraan verleent, geeft zij tevens aan tot welke opleiding het programma behoort.

5.2.1. Quarantaineregeling

Verschillende faculteiten hebben een zogenaamde ‘quarantaine regeling’. Dit betekent dat studenten onder bepaalde voorwaarden in de gelegenheid worden gesteld om eindtoetsen/tentamens die tegelijkertijd zijn ingeroosterd na elkaar te kunnen afleggen. Deze regeling is opgenomen in het Reglement van de Examencommissie. Voor meer informatie kan de student zich wenden tot de studieadviseur van de opleiding.

5.2.2 Regeling Centrale Tentamenafname  

Het instellingsbestuur is verantwoordelijk voor de praktische organisatie van tentamens en examens. Om die reden is de Regeling Centrale Tentamenafname opgesteld. In deze regeling is opgenomen wat onder andere de taken zijn van de examinatoren/materiedeskundigen en surveillanten tijdens de afname van tentamens. Ook zijn de regels - over bijvoorbeeld toiletgebruik en het bezit van een telefoon - beschreven die gelden voor studenten.

Wet- en Regelgeving:               

  • Regeling Centrale Tentamenafname, vastgesteld door het CvB op 3 december 2018, inclusief bijlagen.

5.2.3 Toetsbeleid TU/e

Het toetskader TU/e heeft voor de instelling als doel het kunnen verantwoorden van de wijze van toetsing en het bevorderen, bewaken en borgen van de kwaliteit van toetsing. Per faculteit (of per faculteitsdeel) is op basis van het instellingsbrede toetskader een toetsbeleid opgesteld met hetzelfde doel, maar dan op faculteitsniveau (of een deel daarvan). Voor studenten is het relevant om over de rolverdeling van kwaliteitszorg rond toetsing het een en ander te weten.

Deze zorg is ingedeeld in tweeën. Aan de ene kant belooft het opleidingsbestuur toetskwaliteit te leveren op een manier die staat beschreven in het toetsbeleid: zorgen voor toetskwaliteit.

Aan de andere kant is er voor elke opleiding een examencommissie aangewezen die onder andere belast is met de taak proactief toe te zien op de naleving van de gemaakte afspraken; borgen van toetskwaliteit.

Voor het nastreven van een bepaalde toetskwaliteit heeft de instelling o.a. een visie op toetsing opgesteld, ondersteuning en deskundigheidsbevordering ingericht en regelgeving opgesteld. Voor het kunnen borgen van de toetskwaliteit heeft de instelling o.a. een handreiking opgesteld voor de samenstelling en werkzaamheden van de examencommissies zodat deze zo onafhankelijk mogelijk kunnen functioneren.

Wet- en Regelgeving:                

  • Toetskader TU/e, vastgesteld door het CvB op 14 februari 2019.

5.2.4. Fraudebeleid

‘Onder fraude bij onder andere toetsing, bij aanvragen voor vrijstellingen en aanvragen van examens wordt in ieder geval verstaan: ieder handelen of nalaten door of vanwege een student, waardoor het vormen van een juist oordeel van diens kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk voor de examinator onmogelijk wordt gemaakt en/of het opzettelijk beïnvloeden van (onderdelen van) het examenproces met als doel het resultaat van het examen te beïnvloeden. Plagiaat is een specifiek soort fraude. Evenals het in zijn hoedanigheid als student-assistent er voor zorg dragen dan wel medeplichtig zijn aan het feit dat het vormen van een juist oordeel van de kennis, inzicht en vaardigheden van een student of studenten geheel of gedeeltelijk voor de examinator onmogelijk wordt gemaakt en/of het opzettelijk beïnvloeden van (onderdelen van) het examenproces met als doel het resultaat van het examen te beïnvloeden’ (Toetskader TU/e).

Tijdens de studie moet het studenten duidelijk zijn dat fraude niet past bij een wetenschappelijke opleiding en de pakkans in geval van fraude groot is. Het College van Bestuur heeft daarom opdracht gegeven tot het bundelen en verder ontwikkelen van TU/e breed Fraudebeleid onderwijs. Plagiaat is een specifiek soort fraude en de bestrijding daarvan valt derhalve binnen het Fraudebeleid TU/e Onderwijs. Ook het niet in acht nemen van auteursrechtelijke regels (vorm van plagiaat) zoals vermeld in Hoofdstuk 8, wordt aangemerkt als fraude. Het fraudebeleid is gesplitst in vier elementen, te weten:

  1. Informeren: De grenzen van het toelaatbare worden door de instelling helder gecommuniceerd naar de student.
  2. Voorkomen: Situaties die fraude in de hand werken, worden door de instelling en door de student voorkomen.
  3. Detecteren: De instelling zal toezien op een fraudevrij verloop van toetsen.
  4. Sancties opleggen: In geval van fraude zullen door de examencommissies sancties aan overtredende studenten worden opgelegd die passend zijn in het kader van de vorm van fraude en in het licht van het geschade vertrouwen.

Het fraudebeleid beschrijft de acties die de instelling per element neemt om vanuit bovenstaande vier elementen te streven naar een integere studieomgeving.

Wet- en Regelgeving:   

  • Fraudebeleid TU/e Onderwijs (vastgesteld door het CvB op 5 maart 2015, aangevuld met hoofdstuk 7 op 9 april 2015) model Reglement van de Examencommissie.

5.3 Onderwijs- en examenregeling (OER)

De OER is te beschouwen als een reglement dat het faculteitsbestuur, na voorafgaande instemming van de universiteitsraad (UR) en op sommige punten de faculteitsraad (FR), de opleidingscommissie (OC) en de Gemeenschappelijke Opleidingscommissie (GOC), voor elke opleiding of groep van

opleidingen van haar faculteit moet vaststellen. Met opleiding wordt hier bedoeld: een bacheloropleiding of een masteropleiding.

De wet (artikel 7.13 WHW) schrijft voor dat de volgende zaken ten minste in de OER moet worden opgenomen:

  • de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens; a1. de wijze waarop het onderwijs in de desbetreffende opleiding wordt geëvalueerd;
  • de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding;
  • de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven;
  • waar nodig de inrichting van praktische oefeningen;
  • de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden;
  • de nadere regelingen omtrent het bindend studieadvies en andere studievoortgangseisen;
  • aan welke masteropleidingen door de instelling een hogere studielast dan 60 sp is toegekend;
  • het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden;
  • de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding;
  • waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid moet worden geboden tentamens en examens af te leggen;
  • nadere regels over de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens;
  • of de tentamens mondeling of schriftelijk of op een andere wijze moeten worden afgelegd, waarbij de examencommissie de bevoegdheid heeft in bijzondere gevallen anders te bepalen;
  • de wijze waarop studenten met een handicap of chronische ziekte redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld tentamens af te leggen;
  • de openbaarheid van mondelinge tentamens, waarbij de examencommissie in bijzondere gevallen anders kan bepalen;
  • de termijn waarbinnen de uitslag van tentamens bekend gemaakt moet worden en ook of en hoe van deze termijn kan worden afgeweken;
  • hoe en wanneer de student die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage kan krijgen in zijn beoordeelde werk;
  • binnen welke termijn en hoe de student inzage kan krijgen in de vragen van zijn schriftelijk afgelegd tentamen en de daarbij gehanteerde beoordelingsnormen;
  • op grond van welke elders in het hoger onderwijs succesvol afgelegde tentamens en op grond van welke kennis of vaardigheden die buiten het hoger onderwijs zijn verworven, door de examencommissie vrijstelling van tentamens gegeven kan worden;
  • waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor toelating tot het afleggen van andere tentamens;
  • indien er praktische oefeningen zijn, moet worden bepaald of de studenten verplicht zijn daaraan deel te nemen om bepaalde tentamens te kunnen afleggen; daarbij behoudt de examencommissie het recht om vrijstelling van de praktische oefeningen te geven of vervangende eisen op te leggen;
  • de bewaking van studievoortgang en individuele studiebegeleiding;
  • de wijze waarop de selectie van studenten voor een speciaal traject binnen een opleiding plaatsvindt
  • de feitelijke vormgeving van het onderwijs.

In de OER zijn ook de eisen opgenomen die gesteld worden voor het colloquium doctum en de vooropleidingseisen om toegelaten te worden tot de opleiding. 

In de OER van de aansluitende masteropleidingen moet ook worden opgenomen welke toelatingseisen tot de desbetreffende masteropleiding gelden als de betrokken student wel de voorafgaande bacheloropleiding volgt maar deze nog niet helemaal heeft afgerond, en welke eisen gelden voor degene die de voorafgaande bacheloropleiding niet volgt of gevolgd heeft maar via een bewijs van toelating in aanmerking wil komen voor inschrijving voor de masteropleiding. Zie m.b.t. het toelatingsbewijs ook paragraaf 2.5.

Wanneer een bachelor- of masteropleiding voor de eerste keer wordt verzorgd, dient de OER uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar te zijn vastgesteld.

Binnen de TU/e is het gebruik van de model OER’en voor de bachelor- en masteropleidingen in grote lijnen als richtlijn door het CvB voorgeschreven. Die delen van de OER, die als richtlijn worden voorgeschreven, worden ter instemming aan de UR voorgelegd.

Dit betekent dat deze regels voor alle opleidingen gelijk luidend zijn. Op studiegids.tue.nl zijn de OER’en van de bachelor- en masteropleidingen te vinden. 

5.4 Getuigschriften en verklaringen

Voor studenten bestaat de mogelijkheid om via Osiris met behulp van een persoonlijke toegangscode de eigen tentamenresultaten op te vragen. Zij die slagen voor een examen ontvangen als bewijs hiervan een getuigschrift. De student dient zich ter verkrijging van een getuigschrift aan te melden voor een examencommissievergadering via Osiris. De examencommissie zal dit verzoek zo snel mogelijk behandelen.

Het getuigschrift van de universitaire lerarenopleiding bevat daarnaast nog de bekwaamheidseisen waaraan betrokkene heeft voldaan.

De getuigschriften van het afsluitend examen van de bachelor- en masteropleiding moeten de volgende gegevens ten minste vermelden:

  • de naam van de instelling en welke opleiding (zoals vermeld in het CROHO) het betreft;
  • welke onderdelen het examen omvatte;
  • in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden (bijvoorbeeld onderwijsbevoegdheid);
  • welke graad is verleend (zie hierover meer in paragraaf 5.6);
  • op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd.

De getuigschriften worden tweetalig (Nederlands- en Engelstalig) opgesteld en uitgereikt. Daarnaast wordt er bij het getuigschriften van de examens die verbonden zijn aan de bacheloropleiding en aan de masteropleiding een supplement toegevoegd. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:

  1. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt;
  2. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft;
  3. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, én
  4. de studielast van de opleiding.

Het supplement van de TU/e wordt opgesteld in het Engels. Op het supplement behorende bij het getuigschrift van de bacheloropleiding is ook vermeld dat de student de basisonderwijseenheid professionele vaardigheden heeft gevolgd en behaald.

Degene die minstens twee tentamens heeft behaald, maar niet het examen, waarvan die tentamens deel uitmaken, ontvangt op zijn verzoek een verklaring van de examencommissie. Deze verklaringhoudt in elk gevalin welke tentamens behaald zijn

5.5 Bi-diplomering

5.5.1 Interne bi-diplomering

 Definities:

Opleiding: een geaccrediteerde opleiding met een eigen, zelfstandige CROHO-positie. Interne bidiplomering bacheloropleidingen: de situatie waarin een student tegen een extra inspanning van ten hoogste 90 sp de graden en bijbehorende getuigschriften van meerdere bacheloropleidingen van de TU/e tracht te verkrijgen.

Interne bi-diplomering masteropleidingen: de situatie waarin een student tegen een extra inspanning van ten hoogste 75 sp de graden en bijbehorende getuigschriften van meerdere masteropleidingen van de TU/e tracht te verkrijgen.

Bij interne bi-diplomering gaat het om situaties waarin een student tegen beperkte extra inspanningen diploma’s van meerdere verwante –deels overlappende bacheloropleidingen of masteropleidingen- van de TU/e wil verkrijgen. Dit betekent dat de student twee diploma’s ontvangt wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. Kanttekening hierbij: de richtlijn bi-diplomering van het CvB van 15 juni 2017 kent een verzwaring in de eisen voor bi-diplomering voor zowel de Bachelor- als de Masteropleidingen TU/e. De in dit statuut beschreven regels voor interne bi-diplomering gelden alleen voor studenten die in het studiejaar 2017-2018 of later aan hun opleiding zijn begonnen. Voor studenten die al eerder aan hun opleiding waren begonnen gelden de richtlijnen zoals ze luidden op 31 augustus 2017.

Bacheloropleidingen

Om in aanmerking te komen voor interne bi-diplomering dient de student ten minste 45 sp aan vakken bovenop de reguliere studielast van een opleiding met succes af te ronden, teneinde te voldoen aan de eindtermen van beide opleidingen. Gevallen waarin de extra inspanning van de student de 90 sp te boven gaat, vallen niet onder het begrip interne bi-diplomering.

Voor het behalen van twee bachelorgraden met bijbehorende getuigschriften in het kader van interne bi-diplomering geldt derhalve een totale studielast van ten minste 225 sp en ten hoogste 270 sp. Voor het behalen van meer dan twee bachelorgraden met bijbehorende getuigschriften (tri-diplomering) geldt dat de studielast dan ten opzichte van bi-diplomering verder wordt verhoogd met telkens opnieuw 45-90 sp aan vakken per additionele bacheloropleiding. Er wordt dan opnieuw een extra afzonderlijk bachelor eindproject gedaan. Als er sprake is van één afsluitend bachelor eindproject moeten daarin de kernfacetten van beide betrokken opleidingen duidelijk herkenbaar zijn. Dit wordt getoetst door de betrokken examencommissies. Een dergelijk gezamenlijk bachelor eindproject heeft een omvang van 20 sp, waarvan 10 sp als onderdeel van de extra 45-90 sp studielast bij bidiplomering.

Aanvragen voor interne bidiplomering en, indien van toepassing, één gezamenlijk bachelor eindproject, dienen vóór de start van het derde jaar van inschrijving van de student ingediend te worden bij de betrokken examencommissies.

Masteropleidingen

Om in aanmerking te komen voor interne bi-diplomering dient de student ten minste 45 sp aan vakken plus afstudeerproject/afsluitend project bovenop de reguliere studielast van een opleiding met succes af te ronden, teneinde te voldoen aan de eindtermen van beide opleidingen. Gevallen waarin de extra inspanning van de student de 75 sp te boven gaat, vallen niet onder het begrip interne bidiplomering. Voor het behalen van twee mastergraden met bijbehorende getuigschriften in het kader van interne bi-diplomering geldt derhalve een totale studielast van ten minste 165 sp en ten hoogste 195 sp. Voor het behalen van meer dan twee mastergraden met bijbehorende getuigschriften (tridiplomering) geldt dat de studielast dan ten opzichte van bi-diplomering verder wordt verhoogd met telkens opnieuw 30-60 sp aan vakken plus 15 sp voor het afstudeerproject/afsluitend project per additionele masteropleiding.

Als er sprake is van één afstudeerproject of afsluitend project moeten daarin de kernfacetten van beide betrokken opleidingen duidelijk herkenbaar zijn. Dit wordt getoetst door de betrokken examencommissies.

Als twee masteropleidingen samen tevoren een bi-diplomeringsprogramma hebben vastgelegd en gepubliceerd kunnen zij het minimum van 45 sp extra studielast verlagen tot 30 sp extra studielast. Deze afwijking is in ieder geval van toepassing op bi-diplomering met de educatieve master Science Education and Communication.

Aanvragen voor interne bi-diplomering en, indien van toepassing, één gezamenlijk afstudeerproject of afsluitend project, dienen vóór de start van het tweede jaar van inschrijving van de student ingediend te worden bij de betrokken examencommissies.

Nadere informatie over interne bi-diplomering 

Wet- en Regelgeving:         

  • art. 9.5, 7.59, 9.33 WHW;
  • Richtlijnen van het CvB van 15 juni 2017 met betrekking tot interne bidiplomering binnen de TU/e

5.5.2Bi-diplomering op basis van afspraken met een buitenlandse instelling (double degree)

Bi-diplomering houdt in dat op basis van een samenwerkingsovereenkomst met een buitenlandse instelling van hoger onderwijs een deel van de opleiding bij die instelling kan worden gevolgd; op basis van de zowel bij de Nederlandse als bij de buitenlandse instelling behaalde resultaten heeft de student die de opleiding met goed gevolg afsluit, recht op twee diploma’s: het Nederlands getuigschrift en het buitenlands diploma. Informatie over de mogelijkheden van een double degree is te verkrijgen bij de studieadviseurs van de verschillende opleidingen. Informatie over deze speciale double degree masteropleidingen staat ook vermeld in de digitale studiegids, naast de reguliere masteropleidingen.

Zie: studiegids.tue.nl/opleidingen/graduate-school/masters-programs/

5.6 Graden en titels

In de wet inzake de bachelor-masterstructuur is aan het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een bacheloropleiding of van een masteropleiding verbonden dat de betrokkene daarmee een graad verwerft: de graad Bachelor respectievelijk de graad Master.

Afhankelijk van het vakgebied waarin het afsluitend examen is afgelegd wordt daaraan toegevoegd “of Arts” dan wel “of Science”. Voor de TU/e bachelor- en masteropleidingen geldt dat daaraan de graad “Bachelor of Science” dan wel “Master of Science” verbonden is. Deze graad kan de afgestudeerde in zijn eigen naamsvermelding tot uitdrukking brengen. De graden worden afgekort tot BSc respectievelijk MSc en achter de naam geplaatst.

Degene aan wie bij de TU/e de graad “Master of Science” verleend is, is tevens gerechtigd de titel ingenieur (afgekort tot ir., vóór de naam geplaatst) te voeren. Uitzondering hierop vormt de masteropleiding Science Education and Communication. Deze opleiding behoort tot het domein “onderwijs’ en geeft daarmee recht op de titel doctorandus (afgekort tot drs.).

De betrokkene moet een keuze maken of hij in de eigen naamsvermelding de graad MSc of de titel ir. of drs. tot uitdrukking wil brengen, doch niet gelijktijdig.

Nadere informatie over tentamens en examens

Wet- en Regelgeving:         

  • 7.10a t/m 7.11, 7.20 WHW 

Inlichtingen bij:

  • ESA, tel. (040) (247) 47 47
  • Studieadviseurs van de faculteiten- - studiegids.tue.nl